Uitleg kernelementen

Uitgangspunten

  1. Plezier in het spel staat voorop, voor kinderen en professionals
  2. Schep spelsituaties waarin kinderen taal nodig hebben, met jou en met elkaar
  3. Betrek alle kinderen in communicatie, dus ook de laagtaalvaardige, stille of minder actieve kinderen

    Verkennen

  4. Observeer eerst goed waar de kinderen mee bezig zijn in hun spel voordat je mee gaat spelen

    Verbinden

  5. Ga mee in het spel van de kinderen: stap in de doe-alsof wereld
  6. Schep ruimte voor eigen bijdragen van kinderen en ga daarin mee
  7. Betrek kinderen op elkaar

    Verrijken

  8. Benut kansen in het doen-alsof spel om kinderen tot (complexe) denktaal uit te dagen
  9. Verdiep en verbreed het spel
  10. Gebruik een probleem of creëer een probleem

Kernelement 1: Plezier in spel staat voorop, voor kinderen en voor jou als professional.

We kunnen heel goed zien of kinderen plezier hebben. We kunnen dat afmeten aan de mate van welbevinden en de betrokkenheid.

Welbevinden:

Belangrijke signalen van welbevinden zijn genieten, spontaniteit en zichzelf kunnen zijn, openheid, ontspanning en innerlijke rust, en vitaliteit (De Leuvense Welbevinden Schaal, LWS, Laevers e.a. 2012). Wat zien we dan bij de kinderen?

  • het kind voelt zich duidelijk op en top, geniet met volle teugen
  • het kind is blij en opgewekt: (glim)lachen, glunderen, kraaien van plezier
  • het kind is spontaan, kan zichzelf zijn en toont zelfvertrouwen
  • het kind is ontspannen en vertoont geen signalen van stress
  • het kind heeft een stralende blik, toont levenslust, reageert energiek
  • het kind stelt zich open voor de omgeving en het contact met andere kinderen en volwassenen en geniet van wat de situatie biedt

Betrokkenheid:

We zien grote betrokkenheid bij kinderen als ze helemaal opgaan in waar ze mee bezig zijn. Op welke signalen kun je letten?

  • Concentratie: het kind laat zich niet afleiden, het richt de aandacht op dat waar het mee bezig is
  • Motivatie: het kind doet iets uit zichzelf, omdat het erg aangesproken wordt door de activiteit, het is werkelijk geïnteresseerd
  • Intense mentale activiteit: de waarneming van het kind is scherp en intens. Kinderen laten zien creatief en nauwkeurig te zijn en laten complex handelen zien
  • Voldoening: het is te zien dat het kind voldoening ervaart, het is niet verveeld en heeft merkbaar zin in het spel.
  • Exploratiedrang: kinderen hebben de behoefte grip te krijgen op de werkelijkheid, je ziet dat ze verder verkennen en ontdekken.

Door mee te spelen kun je als professional het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen beïnvloeden. Dat wil je natuurlijk in positieve zin: handhaven als het wel goed zit daarmee of zelfs verhogen door jouw impulsen.
Hou daarbij steeds goed in de gaten of welbevinden en betrokkenheid niet afnemen als je mee gaat spelen. Dat is een signaal dat de kinderen hun eigen lijn niet meer kunnen vasthouden doordat je het spel te sterk in een door jou gekozen richting stuurt (zie ook kernelement 7).
Laat je meenemen in het spel van de kinderen. Wees nieuwsgierig, laat je verrassen en gebruik je verwondering in de doen-alsof-wereld…

Bron:

Laevers, F. et al. (2012). Een procesgericht kindvolgsysteem voor kleuters. Leuven: Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs.

Kernelement 2: Schep spelsituaties waarin kinderen taal nodig hebben, met jou en met elkaar.

Om kinderen uit te dagen tot taal, creëer je in het spel situaties waarin volwassenen normaalgesproken samen handelingen uitvoeren en met elkaar in gesprek zijn. Denk bijvoorbeeld aan de klant die brood komt kopen bij de bakker, de passagier die een kaartje vraagt aan de buschauffeur of de dokter die een patiënt onderzoekt. Als kinderen wederzijds afhankelijk zijn van elkaar om hun spel te kunnen spelen, stimuleert dat onderlinge communicatie.

Afhankelijk van de spelontwikkeling zijn spelende kinderen minder of al meer gericht op talige interactie. Ook het soort taal dat kinderen gebruiken in hun spel hangt samen met hun  spelontwikkeling.
Vol ontwikkeld rollenspel of doen-alsof-spel ontwikkelt zich geleidelijk vanuit manipulerend spel, spel waarin kinderen materialen exploreren. Het observatiemodel Rollenspelontwikkeling (* Leong & Bodrova, 2012) geeft een schematisch overzicht van die ontwikkeling. De belangrijkste kenmerken van de spel-en taalontwikkeling staan hier op een rij:

Fase 1: materiaalgericht spel. De jongste kinderen zijn in hun spel vooral gericht op het exploreren van materialen. Daarbij maken ze regelmatig speelgeluiden, maar verder gebruiken ze niet zoveel taal. Ze spelen ook nog veel alleen.

Fase 2: handelingsgericht spel. Kinderen laten geleidelijk aan symbolisch spel zien: ze imiteren handelingen die ze volwassenen zien doen. Ze roeren bijvoorbeeld met een lepel in een pan of leggen een baby in bed. Ze gebruiken nu ook handelingsbegeleidende taal: ze verwoorden wat ze doen. ‘Zo, even roeren.’ ‘Die daarin.’ Vanuit het handelen kan een koppeling ontstaan met een rol. Kinderen ‘ontdekken’ als het ware dat ze moeder of vader zijn, of buschauffeur. Soms krijgen ze een rol toebedeeld van kinderen die verder zijn in de spelontwikkeling.

Fase 3: Rolgericht spel. Kinderen raken in hun spel steeds meer betrokken bij specifieke rollen. Ze willen een bepaald personage spelen, bijvoorbeeld de grote zus of politieagent. Ze hebben ideeën over wat zo iemand doet en zoeken daarbij de materialen en voorwerpen die ze nodig hebben. Er ontstaat meer samenspel en kinderen gebruiken rolgebonden taal. Dat zijn zinnen en woorden die kenmerkend zijn voor de rol die gespeeld wordt. ‘Goedemorgen, waarmee kan ik u helpen?’

Fase 4: Verhaalgericht spel. Kinderen raken steeds meer gericht op wat de personages in het spel meemaken. Ze spelen langere verhalen, waarin kinderen oog krijgen voor details in de rol en voor de relaties tussen verschillende rollen. Ze spelen graag zoals het ´in het echt´ gaat. Kinderen overleggen nu ook meer over wat en hoe ze spelen. Ze gebruiken daarbij ook metataal, taal over het spel. ´Dan ging hij eerst heel hard achter de dief aan en daarna botste die tegen de boom´.

Fase 5: Plangericht en vol ontwikkeld rollenspel. Kinderen laten grote variatie en complexiteit zien in hun spel. Het verhaal kan zich uitspreiden over meerdere dagen of zelfs weken. Inspiratie voor het spel komt uit de echte wereld, maar ook uit verhalen, boeken, games, televisie… Kinderen hebben veel plezier aan het plannen van spel. Ze denken en praten langdurig over het spelverhaal, en bereiden het spel voor. Daarbij houden ze zich strikt aan hoe ze denken dat het in de echte of in hun gezamenlijk gefantaseerde wereld gaat. De plannen worden lang niet altijd werkelijk ‘uitgespeeld’.

Hoe kun je nog stimuleren dat kinderen taal nodig hebben in hun spel?

  • Laat kinderen voor en na het spelen op hun eigen niveau vertellen over het spel. Wat willen de kinderen doen met de materialen, hoe ziet dat eruit, welke geluiden maken ze dan of wat zeggen ze? Of, iets eenvoudiger, wat hebben ze gespeeld? En vanaf fase 3 en verder: wie willen ze spelen, wat doen ze en wat zeggen ze daarbij? “Vertel eens wat er dan gaat gebeuren...” En welke plannen hebben ze nog meer of wat is er voor nodig om die plannen uit te kunnen voeren?
  • Tijdens het spelen kun je speelgeluiden, handelingsbegeleidende taal en rolgebonden taal ‘laten zien’ door mee te spelen. Soms op het niveau van de kinderen en soms net daarboven. (zie ook kernelement 5).

Hoe zet je materialen in om interactie te ondersteunen?

  • Kinderen in fase 1 en 2 spelen nog graag naast elkaar (ongeveer) hetzelfde. Zorg daarom voor voldoende ‘eigen’ materiaal om mee te handelen, maar bekijk ook hoe je steeds meer gezamenlijk handelen in het spel kunt bevorderen. Samen soep koken: ieder een eigen pollepel en ingrediënten, maar één grote pan. Samen de baby in bad doen: één baby en één badje, maar twee washandjes. Ieder eigen cakevormpjes, maar die tegelijk in de oven doen. De een een afwasborstel en de ander een schuursponsje... maar één bak met sop. Houd extra materiaal achter de hand.
  • Voor kinderen vanaf fase 2 en 3 zijn rolondersteunende materialen belangrijk. Kinderen komen makkelijker tot doen-alsof spel met materialen die ze herkennen uit de echte wereld. Zoek ook naar voorwerpen die samen handelen en interactie ondersteunen: verband of pleisters bij de dokter, een kassa met geld in de winkel, een chippas of klantenkaart in de bus of bibliotheek…

Aandachtspunt:

Wees alert op non-verbale interactie: samen handelen zonder (veel) taal. Dit is een belangrijke voorloper van verbale of talige interactie.

Bron:

Leong, Deborah J., Elena Bodrova (2012). Assessing and scaffolding make-believe play. NAEYC: Young Children 67 (1), 28-34.

Kernelement 3: Betrek alle kinderen in communicatie, dus ook de laagtaalvaardige, stille of minder actieve kinderen.

  • Als kinderen nog weinig praten, kunnen ze al non-verbaal aan de communicatie deelnemen: door te handelen en met gebaren. Daag deze kinderen uit tot actief handelen, betrek en verwoord waar nodig non-verbale acties van de kinderen in het spel.
  • Reageer zoveel mogelijk op elke bijdrage aan de communicatie van deze kinderen, zowel non-verbale als verbale.
  • Maak oogcontact, laat merken dat je het kind gezien of gehoord hebt en ga erop in. Dat kan door een verbale reactie, maar vaak is stilte en uitnodigend kijken ook al voldoende.
  • Zorg dat niet jijzelf het middelpunt wordt van het spel, maar stimuleer onderling samenspel.
  • Maak ook regelmatig vrij homogene groepjes in spel- en taalniveau zodat alle (laagtaalvaardige, stillere of minder snelle) kinderen beter de tijd en de kans krijgen om actief bij te dragen. Wanneer er een veel vaardiger of sneller kind in het groepje zit, leidt dat vaak tot één-op-één interactie tussen dat snelle kind en de professional.
  • Wees heel alert op non-verbale acties of reacties, en haak als het even kan aan bij een talig initiatief (al is het zacht gesproken of niet meteen te begrijpen). Zet je antennes op scherp om die juist op te pikken.

Aandachtspunten:

  • Let op dat je als professional niet zelf de stiltes opvult. Zeker bij stille of de laagtaalvaardige kinderen ligt dat op de loer. Alternatief: mee handelen met de kinderen.
  • Let op de samenstelling van de groep kinderen. Er ontstaat snel één-op-één interactie tussen de professional en het snelste kind. Als het minder snel pratende kind wel intensief het spel volgt en meebeleeft, en zelfs mee-handelt, is dit een uitgelezen kans om zijn deelname ook talig te maken. Vooral voor de stillere kinderen (verlegen, minder taalvaardig, minder snel) is het belangrijk ook regelmatig samen te spelen met andere minder laagtaalvaardige kinderen. De stille (laagtaalvaardige) kinderen krijgen dan betere kansen om verbaal mee te doen.

Bron:

www.uitdagentotgesprek.nl

Kernelement 4: Observeer eerst goed waar de kinderen mee bezig zijn in hun spel voordat je mee gaat spelen.

Meespelen met kinderen biedt kansen om de kwaliteit van spel en taal te ondersteunen en stimuleren. Maar wanneer je niet zorgvuldig afstemt op de betekenissen van kinderen kan jouw inbreng het spel en de betrokkenheid verstoren.

  • Neem altijd de tijd om te verkennen wat kinderen aan het spelen zijn. Wat doen ze, wat zeggen ze? Wees even toeschouwer aan de zijlijn. Probeer je in te leven in de ervaring van de kinderen. Waar gaat hun aandacht naar uit, wat nemen ze waar, wat lijkt belangrijk voor ze? In hoeverre zijn de kinderen met elkaar in contact en wat speelt zich af in dat contact? Wanneer er sprake is van een lage betrokkenheid of een lager spelniveau dan je gewend bent van deze kinderen kan jouw inbreng welkom zijn. Maar ook wanneer kinderen wel betrokken zijn, kun je meespelen. Als je maar bereid bent om in hun verhaal mee te doen, als speelmaatje.
  • Neem de rust om langer achter elkaar bij een spelgroepje te zijn. Het is effectiever om één keer 5 tot 10 minuten bij het spel te zijn, dan vijf keer 1 minuut. Dat geeft onrust.
  • Laat je niet zomaar afleiden door andere kinderen. Maak duidelijke afspraken met kinderen en eventueel je collega over ‘even niet beschikbaar zijn’.
  • Sluit aan bij de werkelijkheid van de kinderen en bij hun niveau. Wanneer kinderen jou niet kunnen volgen, nemen ze geen initiatief meer.
  • Blijf de kinderen observeren als je in het spel stapt. Hoe reageren ze? In hoeverre ontstaat er contact? Kijk goed, luister goed. Welke initiatieven nemen ze? Wat is betekenisvol voor ze?
  • Je bent lang niet altijd nodig in het spel. Soms klopt alles al. Blijf dan gerust aan de zijlijn en geniet van de kinderen. Zo leer je veel over ze.

Aandachtspunt:

Bij iedere hoek snelle suggesties doen zonder dat je goed gezien hebt wat zich daar afspeelt werkt averechts. Alternatief: tijd en rust nemen om spel op één plek te observeren en begeleiden (Singer & Tajik 2014).

Bron:

*Singer, E. en M. Tajik, Verhogen van de spelbetrokkenheid, invloed van je eigen gedrag. Het Jonge Kind, november 2014.

Kernelement 5: Ga mee in het spel van de kinderen: stap in de doe-alsof wereld.

Waarom doen-alsof???

In doen-alsof spel gaan kinderen op in hun verbeelding. Hoewel ze weten dat ze spelen, ervaren ze de doen-alsof wereld op een bepaalde manier als ‘echt’, als ‘natuurlijk’. Dat is bepalend voor hun betrokkenheid. In taal-in-spel streven we naar spelbegeleiding vanuit de rol van speelmaatje. Je speelt mee als insider en bent geen ‘oog van buitenaf’. Als je mee wilt doen met het spel van kinderen, is het belangrijk om hun doen-alsof wereld in stand te houden of zelfs te versterken. Dat doe je door eerst goed te observeren wat de kinderen spelen (zie kernelement 4). Je verbindt je met de kinderen door in hun doen-alsof wereld te stappen. Je gaat op in het spelverhaal.

  • Als je met kinderen meespeelt in doen-alsof-spel, neem je een rol aan en die houdt je vast. Je handelt en praat op een manier die natuurlijk past bij je rol.
  • Als speelmaatje zul je, net als de kinderen zelf, soms meer volgend en soms meer leidend zijn.
  • Als je net bent ingestapt, ga je vooral mee in de initiatieven van de kinderen. Je volgt wat er gebeurt. Vanuit je rol reageer je wel op de andere spelers, maar zonder de boventoon te voeren. Jouw handelen en taal geven verdieping aan de situatie. Je brengt details aan in het handelen of gebruikt rolgebonden taal die kinderen nog niet zelf gebruiken. Dat past heel natuurlijk bij de rol die je speelt.
  • Het kan heel goed werken om dezelfde rol te spelen als een kind, zeker bij jonge kinderen, bijvoorbeeld samen klant of samen verkoper zijn. Je kunt dan heel mooi het initiatief bij het kind laten en af en toe een aanvulling doen.
  • Als kinderen behoefte hebben aan meer variatie of uitdaging, geef je een nieuwe impuls aan het verhaal. Je bent dan meer leidend. Soms kort, soms wat langer. Je neemt dan weliswaar even het voortouw, maar wordt niet dominant. Je blijft in contact met de kinderen, houdt goed in de gaten of iedereen in hetzelfde verhaal blijft en of je tempo niet te hoog ligt. Je daagt uit, maar geeft kinderen de ruimte om wel of niet op jouw initiatief in te gaan. Er blijft sprake van wederzijdsheid in het spel.
  • Wanneer je moet stoppen met meespelen, bedenk dan een eenvoudige reden waarom jouw personage vertrekt. Kinderen kunnen dan makkelijker verder spelen.
  • Versterk de doen-alsof-wereld door je taalgebruik. Dat zorgt voor hogere betrokkenheid van kinderen en betere verbinding tussen kinderen.
    • Spreek in ‘ik’ en ‘wij’. “Mag ik een beetje suiker?”, We gaan op vakantie.” (en niet: “Jullie gaan zeker op vakantie?”)
    • Spreek kinderen aan in hun rol: “Waar gaan we naar toe, chauffeur?”, “Straks branden de taartjes aan, papa”, “Kan ik uw collega even spreken?”
    • Gebruik rolgebonden taal; taal die echt past bij jouw rol in de doen-alsof wereld.

Aandachtspunt 1:

  • Let op dat je niet alle aandacht naar je toe trekt als je het spel instapt door heel groot en opvallend te spelen. Met een luide of gekke stem, met overheersend gedrag, met een grootse entree “Zo, hier ben ik dan eindelijk!”. Kinderen vinden het vaak wel even grappig of fascinerend, maar stoppen zelf met initiatief nemen en laten hun eigen verhaal los. Het contrast tussen jouw aanwezigheid en jouw afwezigheid in het spel wordt te groot.
  • Alternatief: probeer op een natuurlijke manier vorm te geven aan je rol. Maak er geen drama van en houd je ook geregeld even op de achtergrond.

Aandachtspunt 2

  • Probeer niet het spel van buitenaf becommentariëren door bijvoorbeeld expliciete spelaanwijzingen of verkapte regieaanwijzingen te geven ‘Ga de taart maar verdelen’ of ‘wat moeten we nog doen voor we op reis kunnen?
  • Alternatief: Blijf in je rol. Zoek naar natuurlijke formuleringen die kloppen bij je rol: ‘Oeh, wat ziet die taart er lekker uit. Zullen we hem opeten?’ Of: ‘Mag ik misschien een stukje taart?

Aandachtspunt 3

  • Probeer te vermijden om Instructietaal gebruiken of controlevragen stellen. Dat is de taal die je als juf/meester gebruikt op weg naar ‘het goede antwoord’, bv. ‘Welke vorm heeft de appel?’ of ‘Hoe heet dat?’. Ook als je ‘als juf’ deel bent van het spelverhaal, vermijd je deze taal.
  • Alternatief: Wanneer je een kind niet goed begrijpt, laat dan vanuit je rol je verbazing of onbegrip merken: “Ehm, ik begrijp het niet.” “Hoe kan dat nou?”
  • Accepteer ideeën en oplossingen van de kinderen

Kernelement 6: Schep ruimte voor eigen bijdragen van kinderen en ga daarin mee.

Je geeft kinderen de ruimte om hun eigen ideeën in te brengen. (Ook als de bijdragen je verrassen of als je ze (nog) niet snapt. Voor taalontwikkeling is het noodzakelijk dat kinderen actief en op eigen initiatief praten: dan gaat hun taalleermechanisme * in werking. Ruimte is er als de professional zelf ophoudt met praten.

  • Laat stiltes vallen. Dan krijgen kinderen de kans om zelf te bedenken wat ze gaan doen en hoe ze dat onder woorden gaan brengen.
  • Geef luisterresponsen: bijvoorbeeld Mm, Oh? en Ja? of herhaal wat het kind zei. Daarmee geef je aan dat je volgt wat het kind zegt en doet, en geef je de spreekvloer weer terug aan het kind.
  • Stel niet voortdurend vragen. Door steeds vragen te stellen, bepaal jij de richting en inhoud van het gesprek. Kinderen ontwikkelen zich beter in spel en taal als ze zelf actief meedoen en op eigen initiatief een bijdrage leveren. Daarmee worden ze ook autonomer.
  • Stel alleen als het nodig is een open vraag en blijf dan weer stil. Met af en toe zo’n open vraag kun je een nieuwe impuls inbrengen in het spel en de taal. Door daarna weer stil te blijven leg je de regie weer terug bij de kinderen.
  • Breng af en toe een prikkelende opmerking in. Een prikkelende opmerking gaat in tegen wat het kind zelf denkt of veronderstelt. Dat werkt nog mooier dan een open vraag, omdat kinderen dan helemaal vrij zijn in hoe ze reageren en hoe ze dat formuleren.
  • Gebruik verbazing. Een speciale vorm van ruimte aan de kinderen geven is verbazing laten blijken. Verbazing kan bijvoorbeeld uitgedrukt worden als open vraag: ‘He, hoe kan dat nou?’, maar ook als bewering: ‘dat kan toch niet?’ of ‘ ik snap het niet’. Een korte minimale uiting zoals ‘Huh?’ werkt ook als een uiting van verbazing. Het gaat hier niet om de verbazing van een professional die niet snapt wat een kind bedoelt, maar om verbazing die bewust wordt ingezet om een kind uit te dagen en de ruimte te geven om verder te praten en te spelen (Damhuis de Blauw en Brandenbarg 2004).

Aandachtspunten:

  • Je focus is hier niet de woordenschatontwikkeling, waarbij je vooral verwoordt wat kinderen doen, maar taalontwikkeling in brede zin via interactie.
  • Om woordenschat te stimuleren kun je zorgen voor spullen en handelingen die het gebruik van die woorden op een natuurlijke manier uitlokken.

 

Om gesprekken met kinderen te kunnen voeren is het goed je bewust te zijn van alle aspecten van het zogenaamde taalleermechanisme. Taal- en denkontwikkeling vindt plaats als er taalaanbod is, als er voldoende ruimte is voor het kind om zelf te praten en wanneer er feedback van de leerkracht is op wat een kind zegt. Het is niet zo dat kinderen vooral taal leren door eerst woorden te leren, en die dan te gaan oefenen. Het leren van taal gebeurt vooral spelenderwijs tijdens het praten, tijdens het gesprek. Denk maar aan hoe jonge kinderen hun moedertaal leren: door te communiceren met hun vader of moeder.

Wat kun je hiermee als professional? Hier vind je de reactie van een paar professionals uit het project:

  • We realiseerden ons hoe vaak we zelf aan het woord waren. Dat was een belangrijk leerpunt voor ons”.
  • “We praten zelf de stiltes vol, we weten dat we dit niet moeten doen maar oef wat is het moeilijk om dat niet te doen. “

Aandachtspunt:

Een aandachtspunt is inderdaad om niet zelf stiltes vol te praten, maar om juist stiltes te laten vallen en niet te snel een nieuwe vraag te stellen.

Jonge kinderen hebben de ruimte nodig om na te denken of wat ze willen zeggen en hoe ze dat willen doen. Je hebt hier interactievaardigheden nodig waarmee je heel veel ruimte schept voor de kinderen om te denken en te praten, ook al doen ze dat met losse woorden, of met af en toe een woord en verder gebaren. In zulke communicatie leren kinderen juist al doende meer taal. Dan lever je taalaanbod op het moment dat het kind het nodig heeft!

Bron:

Damhuis, R., De Blauw, A. & Brandenbarg, N. (2004). CombiList, een instrument voor taalontwikkeling via interactie. Praktische vaardigheden voor leidsters en leerkrachten. Nijmegen: Expertisecentrum Nederlands.

Kernelement 7: Betrek kinderen op elkaar.

Bij Taal in spel gaan kinderen niet alleen met jou als professional maar ook met elkaar in gesprek. We kennen allemaal situaties dat een kind iets tegen je zegt, je geeft antwoord en je vraagt vervolgens iets aan een ander kind. Dat zijn heel korte één-op-ééntjes. Professionals kunnen het gesprek tussen kinderen zo sterk belemmeren. Er is geen ruimte voor de kinderen om actief mee te doen, mee te denken en mee te praten met een ander kind.

Kinderen hebben belangstelling voor andere kinderen en gaan tussen 2 en 6 jaar van steeds meer naast elkaar ook steeds meer met elkaar spelen. Maar niet alle kinderen leggen even gemakkelijk contact. Ze moeten zich veilig en vertrouwd voelen. Voor de ontwikkeling van relaties met andere kinderen is spel heel belangrijk. Spel stelt kinderen in staat interacties te oefenen.

Hoe kun je nu als professional kinderen op elkaar betrekken?

  • Speel vragen van kinderen door aan andere kinderen. Geef niet altijd zelf het antwoord op een vraag van een kind. Je hoeft niet altijd zelf in te gaan op een vraag of probleem van een kind. Leg de vraag aan andere kinderen voor waarbij je non-verbaal aangeeft dat je van hen een reactie verwacht, meestal door hen vragend aan te kijken en zelf stil te zijn.
    “Hoor je dat? “
    "Dus nu weten we niet hoe we naar huis toe moeten?" (+ rondkijken naar andere kinderen),
    “Kunnen we het aan de piloot vragen?”
  • Betrek kinderen die toekijken bij het spel. Soms kijken kinderen toe bij het spel van andere kinderen. Je kunt ze betrekken bij het spel door te vertellen wat er gebeurt. Een kind kan zich dan uitgenodigd voelen om mee te gaan doen. Je zegt bijvoorbeeld tegen een kind dat toekijkt of net bij de hoek arriveert:
    “We proberen de taart in de oven te zetten”
    “Janneke zegt dat ze met de bus wil”.
  • Je kunt het samenspelen heel letterlijk benoemen: 'Misschien kunnen jullie het samen doen'?
  • Je kunt de rollen en handelingen die samenspelen noodzakelijk maken benoemen He, mama, hebben we al afgerekend bij de winkelmeneer? “Zo blijf je in je rol als kind dat met moeder boodschappen doet en wijs je tegelijk op een handeling die kinderen SAMEN moeten uitvoeren: klant en winkelbediende.
  • Je kunt een vraag richten tot alle kinderen:
    “Hoe gaan we dat nu oplossen?”
    “Wat nu?”

Aandachtspunt:

  • Al deze acties voer je uit in je rol binnen het spel (zie ook kernelement 5: ga mee in het spel). Je bent eerder een gewone deelnemer aan het gesprek die af en toe iets toevoegt of de kinderen uitdaagt om verder te denken.

Kernelement 8: Benut kansen in het doen-alsof spel om kinderen tot (complexe) denktaal uit te dagen.

Al pratend leren de kinderen de wereld om hem heen beter kennen. Ze gaan nadenken over wat ze zien, doen en ervaren. Denken doe je in je hoofd. We willen graag dat kinderen in doen-alsof spel leren actief te mee te praten, actief mee te denken en actief mee te doen. Als je samen met een ander denkt, is taal daar een handig middel bij. Met behulp van taal kun je de ander laten weten wat je denkt. Door je ideeën in taal te verwoorden, maak je tegelijkertijd die ideeën concreter en helderder: taal maakt je ideeën scherper. Zo gaan taal en denken hand in hand (Mercer & Littleton, 2007).

Kinderen leren dat het best in een betekenisvolle context, in uitwisseling met elkaar en met jou als professional. Om dat te realiseren, zijn gesprekken nodig. gesprekken zijn de motor van de ontwikkeling van taal, denken en kennis. De taal die de kinderen in dit soort gesprekken gebruiken, heeft als doel te vergelijken, benoemen, redeneren, concluderen, etc. Dit noemen we complexe taaldenkfuncties-denktaal. *

Hoe kun je complexe denktaal uitlokken?

  • Daag kinderen uit om te doen, te denken en te praten. Als je de kinderen wilt uitdagen, is het goed om je als leerkracht bewust te zijn van de verschillende cognitieve taalfuncties. Dan kun je beter sturing geven aan het gesprek.
  • Pak de denktaal van de kinderen op: speel door naar de andere kinderen of lok uitbreiding uit. Vraag door naar details of redenen. Wees dus alert op denktaal van de kinderen!
  • Daag uit tot denktaal. Laat bijvoorbeeld je verbazing zien. Of gebruik een prikkelende bewering. Een prikkelende bewering is een opmerking die tegen de verwachting van een kind in gaat. De professional beweert bijvoorbeeld iets wat niet waar kan zijn, zegt of doet iets wat niet “hoort”, of trekt de bewering van het kind in twijfel. Het kind MOET als het ware wel een reactie geven of een vorm van protest. Het is een hele open vorm van uitdaging .*
  • Gebruik ook zelf denktaal.

Aandachtspunten:

  • Maak er geen lesjes van.
  • Het uitlokken van denktaal moet de voortgang van het spel niet te veel vertragen. Taaldenkfuncties We maken een onderscheid tussen eenvoudige en complexe taaldenkfuncties.
  • Je kunt taal gebruiken om dingen te benoemen en te beschrijven. We noemen dat eenvoudige taaldenkfuncties:
    • Voorwerpen benoemen (dat is een bal)
    • Kenmerken beschrijven (de bal is rood).

Maar als het gaat om de relatie tussen voorwerpen of gebeurtenissen, als het gaat om je denken onder woorden te brengen, dan heb je complexe taaldenkfuncties nodig zoals middel-doel, chronologisch ordenen, redeneren, oorzaak en gevolg, vergelijken enz.

  • Vergelijken: Die auto? Is groter.
  • Redeneren: Is meer geld, is groter. Het kind bedoelt: Die kost meer geld, want die is groter.

Het is niet zo dat kinderen eerst benoemen en beschrijven, en pas als ze ouder zijn complexe taalfuncties leren. Ook al als peuter of kleuter kunnen ze complexe taaldenkfuncties uitdrukken: non-verbaal door aanwijzen en gebaren, of door losse woorden na elkaar te zeggen: Die klein, die groot (wijzend op de kleine en de grote auto). Signaalwoorden zoals want, omdat, dus gebruiken ze nog niet meteen, die leren ze gaandeweg. En als professional geef je die op een natuurlijke manier in je feedback: Ja natuurlijk, want die is echt groter! De ontwikkeling van denktaal zit niet in een opbouw van de taaldenkfuncties, er is geen ‘volgorde’ waarin ze uitgelokt moeten worden. De ontwikkeling zit in steeds passender taalvormen gaan gebruiken en vooral in de complexer wordende wereld en de kennis daarover. De inhouden waarover gedacht en gepraat wordt, worden steeds complexer. Bijvoorbeeld als ze de beste glijbaan voor autootjes willen maken: Als je hem schuiner houdt, gaat de auto er sneller vanaf.

Bronnen:

Damhuis, R., De Blauw, A. & Brandenbarg, N. (2004). CombiList, een instrument voor taalontwikkeling via interactie. Praktische vaardigheden voor leidsters en leerkrachten. Nijmegen: Expertisecentrum Nederlands.

Mercer, N. & Littleton, K. (2007). Dialogue and the development of children’s thinking. A sociocultural approach. London: Routledge.

Kernelement 9: Verdiep en verbreed het spel.

Zie het spel als een verhaal. Je kunt het verhaal meer kleur en details geven (verdiepen) maar het ook langer maken of er een nieuw hoofdstuk aan toevoegen (verbreden).

  • Pak allereerst ideeën van kinderen op die in het spel ontstaan: laat de kinderen erop doorgaan en ga erin mee, zodat jullie het spelverhaal samen uitbouwen. Wanneer de betrokkenheid afneemt of het spel lijkt te stagneren, gebruik je je rol binnen het spel om te verrijken.

Je kunt op verschillende manieren iets inbrengen in het spel:

  • Verdiep de handeling door details toe te voegen of taal in te zetten die de kinderen zelf nog niet laten zien. Je blijft daarbij als het ware in hetzelfde moment, brengt de verhaallijn niet verder in de tijd. Verdiepen van de handeling laat zich vergelijken met het toevoegen van extra zinnen in een alinea over hetzelfde onderwerp.. Voorbeeld: Kinderen zetten de koekjes in de oven, en doen de klep weer dicht. De professional zet echter ook de knop van de oven op de juiste temperatuur. Daarmee voegt ze een detail toe in de handeling. Of: kinderen halen de koekjes weer uit de oven: Ze doen de klep open en pakken de koekjes eruit. De professional trekt eerst ovenhandschoenen aan en laat merken dat het heet is als de klep van de oven opengaat. Of, in de winkel bij de kassa: de professional telt het geld precies uit om het juiste bedrag te kunnen geven.
  • Breng een volgende handeling in om het verhaal een stukje verder te brengen in de tijd. Sluit daarbij aan op de verhaallijn, geef er een logisch vervolg aan. Dit laat zich vergelijken met een nieuwe alinea in het verhaal. Voorbeeld van de koekjes: de professional stelt voor om thee te gaan drinken als de koekjes uit de oven komen, of de bakspullen af te wassen. Of in de winkel, in de rol van winkelbediende: de professional stelt voor als de klanten de winkel verlaten hebben om met de andere winkelbediende samen de etalage mooi te maken of de spullen te inventariseren. Er ontstaat dus echt een nieuwe handeling, waardoor de tijd verder gaat.
  • Geef een wending aan het verhaal, een grote, redelijk onvoorspelbare impuls. Zet af en toe een heel nieuw hoofdstuk in als de kinderen hun betrokkenheid verliezen en het spelverhaal afgelopen lijkt te zijn. Voorbeeld van de koekjes: de professional stelt voor, tijdens het koekjes eten, om zo meteen naar de dierentuin te gaan. Of wordt ineens ziek van de koekjes. Of de oven vliegt in brand. Tijdens een vliegreis naar Amerika: de professional zet noodweer in en begint paniek te schoppen. Een professional zal dit soort ‘grote’ impulsen alleen doen, wanneer de betrokkenheid van de kinderen sterk afneemt. Met de nieuwe wending kan het weer spannend en uitdagend worden en wordt hun fantasie geprikkeld. Op zo’n moment kan wat groter, dramatischer spel wel even zinvol zijn. Maar neem weer gas terug om kinderen ruimte te geven voor eigen initiatieven.

Aandachtspunten:

  • Het helpt om van te voren al na te denken over mogelijke handelingen, rollen en verhaallijnen die zouden kunnen ontstaan. Pas daarbij wel op dat je niet te strak aan een eigen plan vasthoudt, als het spel een andere kant op gaat. Het verhaal en de beleving van de kinderen staan voorop.
  • Sluit aan bij de belevingswereld van de kinderen. Kinderen hebben kapstokjes nodig om nieuwe ervaringen aan te koppelen. Als kinderen zich vertrouwd voelen met bepaalde spelsituaties ontstaat er ruimte voor de professional om iets nieuws in te brengen.
  • Verrijk het spel alleen als dat nodig is, wees niet te dominant door zelf steeds het spel te verrijken. Kijk goed naar de kinderen en ga mee met wat zij doen.

Kernelement 10: Gebruik een probleem of creëer een probleem.

Een probleem daagt kinderen uit tot complexe denktaal . Als je de kinderen met zo’n probleem verrast, even van hun stuk brengt (cognitief conflict), reageren ze ‘vanzelfsprekend’ en spontaan met communicatie.

  • Wees niet te behulpzaam. Denk niet voor de kinderen. Laat hen zelf denken en wees nieuwsgierig naar hoe kinderen problemen oplossen. Accepteer oplossingen en ideeën van de kinderen, ook al vind je het zelf geen logische oplossing. Laat de kinderen zelf ervaren of en hoe hun oplossing werkt. Voorbeeld: Juf Nienke krijgt plakkerige handen van het smeltende speelgoedijsje. Haifa gaat de tandarts bellen om dat op te lossen en juf gaat daarin mee.
  • Wees alert op problemen die een kind zelf signaleert: ga erop in vanuit je rol. Wees niet te snel behulpzaam en sluit aan bij de kinderen. Juf Nienke speelt met Haifa en Denise in de huishoek, ze eten een ijsje Haifa zegt: “hij gaat gaat hij gaat smelten”. Juf Nienke: “oh neeeee, ja ik zie het” (gebaart dat het ijs over haar handen loopt. Haifa: “nou moet je, moet je zo/snel” (doet voor hoe ze moet likken) Nienke: “heel snel. Oh, mijn hand wordt vies. En plakkerig. Oeoeoe!”
  • Benoem vanuit je rol een probleem dat in het spel is ontstaan.
  • Breng vanuit jouw rol een probleem in dat past in jullie gezamenlijke verhaal.
  • Kinderen die nog geen rol aannemen, maar vooral aan het handelen zijn, kun je toch uitdagen door een probleem op te pakken dat zich bij dat handelen voordoet, of bij die handelingen een probleem in te brengen. Bijvoorbeeld als de baby(pop) in bad gaat: “He, we hebben geen zeep!”. Als kinderen dan vooral non-verbaal reageren, verwoord je die reacties. Valkuil: als je zelf te snel verwoordt wat een kind doet, ontneem je het kind de motivatie om zelf te praten.
  • Breng pas een nieuw probleem in als de kinderen het voorgaande hebben afgerond, als hun eigen subdoel in het spel bereikt is. Bijvoorbeeld: de kinderen zijn naar de bibliotheek geweest en zitten in de huishoek een boekje te lezen. De boekjes zijn uit. Grote zus (juf Francisca in dit geval) zegt: ‘oh het ruikt hier echt niet lekker…..”.
  • Stel je wel of niet waarom-vragen? Binnen de doen-alsof wereld werkt een waarom-vraag soms goed om denktaal uit te lokken, maar alleen wanneer je vanuit je rol niet begrijpt wat er gebeurt en niet om kinderen te controleren. Wees wel voorzichtig met een waarom-vraag. Kinderen kunnen het gevoel krijgen dat ze zich moeten verdedigen voor wat ze zeggen of doen, waardoor ze uit het spel raken. Je kunt in plaats van de waarom-vraag non-verbale middelen inzetten: nadenkend of verbaasd kijken. Kinderen kunnen dan uit zichzelf toelichting geven.

Aandachtspunt:

  • Blijf een probleem niet eindeloos uitmelken. Kinderen verliezen dan hun belangstelling of geven op.

Bron:

  • Damhuis, R. & E. van der Zalm, Maak een probleem- Zone- Jaargang 13, 2014 nr. 4..